Het is de ultieme luxe tijdens een lange autorit naar het zuiden: je haalt je voet van het gaspedaal, maar de auto blijft keurig 100 of 120 rijden. Geen kramp in je kuit en een veel rustigere rit. Cruise control was ooit een futuristische gadget in dure Amerikaanse sleeën, maar zit tegenwoordig op bijna elke stadsauto.
Toch is er de laatste jaren iets veranderd. Waar je vroeger zelf moest remmen als je voorganger vertraagde, doen moderne auto’s dit helemaal zelf. Hoe werkt die onzichtbare voet op het pedaal, en hoe weet de auto dat er een vrachtwagen voor je rijdt?
Inhoudsopgave
De basis: Klassieke Cruise Control
De werking van het ouderwetse systeem (vaak CC genoemd) is eigenlijk verrassend simpel. Het doel is het handhaven van een constant toerental of snelheid, ongeacht de weerstand van de weg.
Vroeger, toen auto’s nog een fysieke gaskabel hadden, zat er onder de motorkap een extra apparaatje: een servomotor. Zodra jij de snelheid instelde, nam dit motortje de taak van jouw voet over. Ging je een heuvel op? Dan merkte de auto dat de snelheid zakte, en trok de servomotor de gaskabel strakker aan. Ging je heuvelafwaarts? Dan liet hij de kabel vieren.
Tegenwoordig werkt dit volledig digitaal via de computer van de auto (de ECU). Er is geen kabel meer; een elektrisch signaal vertelt de motor hoeveel brandstof er nodig is om exact op die 100 kilometer per uur te blijven.
De evolutie: Adaptive Cruise Control (ACC)
Het grote nadeel van de klassieke versie is dat hij ‘blind’ is. Hij houdt stug zijn snelheid vast, ook als je voorganger plotseling op de rem trapt. Jij moet dan ingrijpen, waardoor het systeem uitschakelt en je het daarna weer opnieuw moet instellen.
Hier komt Adaptive Cruise Control om de hoek kijken. Dit systeem doet twee dingen:
- Het houdt de ingestelde snelheid vast als de weg vrij is.
- Het remt automatisch af als er een langzamere auto voor je rijdt, om een veilige volgafstand te bewaren.
Hoe ‘ziet’ de auto zijn voorganger?
Om dit te kunnen doen, heeft de auto een paar extra zintuigen gekregen. Meestal vind je die op twee plekken:
- De Radar: Kijk maar eens goed naar de voorkant van een moderne auto. Vaak zie je midden in de grille of onderin de bumper een zwart, vlak kunststof plaatje of een bolletje. Hierachter zit een radarzender. Deze stuurt onzichtbare golven naar voren. Op basis van hoe snel die golven terugkaatsen, berekent de computer exact hoe ver de auto voor je is en hoe hard hij rijdt.
- De Camera: Achter de binnenspiegel, tegen de voorruit geplakt, zit vaak een camera. Deze kijkt met je mee en helpt (samen met de radar) om objecten te herkennen.
Van luxe naar veiligheid
Het mooie aan ACC is dat het continu rekent. Rijdt je voorganger 100 en jij 120? Dan laat de auto op tijd het gas los of remt hij bij. Gaat je voorganger weer naar rechts? Dan ziet de radar “vrije baan” en accelereert de auto automatisch weer terug naar jouw ingestelde snelheid.
Stop & Go: De file-assistent
De nieuwste versies gaan nog een stap verder met de functie Stop & Go. Oudere systemen schakelden zichzelf uit als je langzamer ging dan 30 km/u. Moderne systemen met een automaat kunnen de auto volledig tot stilstand brengen in de file. Gaat de auto voor je weer rijden? Dan trekt jouw auto ook weer op. Het enige wat jij nog hoeft te doen, is sturen (al helpen systemen als Lane Assist daar ook steeds meer bij).
Hoewel de techniek ons veel werk uit handen neemt, blijft de regel: het is een hulpmiddel, geen automatische piloot. Je voet mag rusten, maar je ogen moeten op de weg blijven.